ms Oranje

Naar Nederland

Naar Nederland Rond 7 december 1945, vertrok on...

Naar Nederland Rond 7 december 1945, vertrok ons gezin naar de haven van Semarang (Java), om zich in te schepen op de ‘Oranje’ die op de rede lag. Die was toen ingericht als hospitaalschip was en dit was de eerste repatriëringsvaart naar Europa. Met landingsvaartuigen gingen we ernaartoe. Toen wij in de kleffe hitte van Semarang vuil aan boord kwamen, was het eerste wat we kregen een groene Granny Smith appel uit de koelcel. Wat was dat lekker, alsof een engeltje over je tongetje pieste! Ook kregen we een huzarensalade. Toen mijn broer opmerkte, dat dat voor ons een heel diner betekende, antwoordde de steward, dat het een restje van de vorige avond was! Ik werd ondergebracht op de kinderafdeling op het achterdek, moeder in de ziekenboeg en vader en twee broers elders op het schip. We zaten dus weer verdeeld, maar dat maakte mij niet veel uit. Die avond meldde ik mij bij de purser en zei in mijn beste Engels: ‘Sir, I have no tandenborstel’, want de bemanning was Australisch. Nu, ik zal nog wel meer niet gehad hebben. Waarschijnlijk werden wij veronderstelt onze tanden te poetsen, zoals een nette Europeaan dat gewend is, of ik had gezien, dat andere kinderen er een kregen. Toen gold nog sterk ‘hebben is hebben en krijgen is de kunst’. In ieder geval kreeg ik een tandenborstel en kon ik weer wat aandacht aan mijn gebit geven, hetgeen lang niet gebeurd was. Die kinderafdeling had wel een voordeel, want men had opgemerkt, dat ik op 20 december jarig was. Op die dag verscheen er dan ook een taart van wel één vierkante meter groot met 10 kaarsjes erop, genoeg voor de hele kinderafdeling. Ergens midden op de Indische oceaan hebben we daar met zijn allen erg van genoten. Ik herinner mij nog, dat wij bij het varen op die oceaan veel vliegende vissen zagen. Het volgende ‘highlight’ was een stop in Attaca (Aden), waar we allemaal ontluisd werden en nieuwe kleren en dekens kregen. Ik moest erg wennen aan dat grijze kostuum met plusfour, de pet en de overjas gemaakt van wollen stof met visgraatmotief. De vaart door het Suezkanaal was natuurlijk erg interessant, evenals de haven van Port Said, waar een grote menigte Egyptische kooplieden trachtte hun zaken aan de man te brengen, dan wel vanuit het topje van de mast van hun boot, dan wel op het dek van de Oranje. Ook waren er jochies, die vanuit een sloepje glinsterende munten opdoken, die door de passagiers in het heldere water werden gegooid. Wij hadden als arme sloebers natuurlijk niet veel geld te besteden en sindsdien zeggen Egyptische kooplieden wanneer zij Nederlanders tegenkomen ‘kijken, kijken, maar niet kopen’! In de Golf van Biscaye (ten N van Spanje) werd ik zeeziek, zoals dat daar hoort. De Oranje meerde uiteindelijk in Southampton af. Daar moesten wij overstappen op twee kleinere boten, vanwege het gevaar van zeemijnen op de route naar Nederland. Zó arriveerden wij op ongeveer 9 januari 1946, via IJmuiden, in de haven van Amsterdam, waar een oom en tante ons kwamen ophalen. Wij zouden de eerste 3 maanden bij hen logeren in het Rode Dorp in Utrecht, een groots gebaar!

Ook een verhaal? Deel het hier!

Reageer op dit verhaal

Reacties op dit verhaal

Jaap de Roos

Ik zat op dezelfde reis. Kijk maar op het verhaal dat ik verstrekte ook op pagina 2 van deze verhalenvanger ! ( Banjoe Biroe overlevende)

Is er iets mis met het verhaal?